Ons Blaricum, 
Aan de voet van de Utrechtse Heuvelrug,
Lag een streek, Naerdincklant toen geheten.
Nu is het 't Gooi en de oude naam
Is al eeuwenlang door ons vergeten.
Ons dorpje dat heette toen Bladerichem
In die vroeg-middeleeuwse tijden
En ridders die reden hier spoorslags voorbij
Met een schild en een zwaard aan hun zijde.
Thans wonen hier boeren en mensen als wij
Te midden van akkers en bossen en hei
Het is toch de parel van 't aloude Gooi
Oh mijn Blaricum, wat ben je lief'lijk en mooi
Want Blaricum, mensen, is ons Paradijs
Toe, hou het in ere tot iedere prijs
Nee, Blaricum gaat nooit verloren
In 't land van de boekweit en 't koren.
De korenbloem blauw in ons wapen fier
Symbool voor de arbeid van mens en van dier
Laat Blaricum blijven, zo landelijk puur
Getooid met de pracht van de weidse natuur
Want Blaricum, mensen, is ons Paradijs
Toe, hou het in ere tot iedere prijs
Nee, Blaricum gaat nooit verloren
In 't land van de boekweit en 't koren.
Wim Kloek
Januari 1992